Misschien heb je ooit van het Issyk-Kulmeer gehoord. Dat zou niet vreemd zijn, want Kirgizië doet het de laatste jaren goed op social media en de regio rond het meer leent zich perfect voor plaatjes van dramatische berglandschappen met spiegelend water. Hoewel Kirgizië al langer ontdekt is door meer avontuurlijke reizigers, lijkt het gebied rond Issyk-Kul zich nu op te maken voor de volgende fase: het massatoerisme.

Rondom de weg werd druk gebouwd aan oneindige rijtjes identieke vakantiehuisjes en gigantische vierkante hotels. Dit aanzicht, iets dat ik niet meer heb gezien sinds Turkije, gaf me een ongemakkelijk gevoel van teleurstelling. Alsof het échte reizen voorbij was nu ik de Pamir had overwonnen.
Gelukkig had ik nog een troef achter de hand: het boek met offroad-routes dat ik een paar dagen eerder had gekregen onderweg naar de verlaten uraniummijn. (Wat kan er misgaan met een routebeschrijving die je krijgt bij een uraniummijn?) Er was een route in die buurt waar je een drooggevallen rivierbedding door een kloof naar een afgelegen stuk oever kon volgen. Dat leek me wel wat.

De route was zanderig, los en op momenten meer een suggestie dan een pad. Eén keer nam ik de verkeerde lijn en gleden Dragan en ik bijna onderuit, maar door in een wanhoopspoging het gas open te draaien bleven we wonderwel overeind. Ondanks m’n gekluns was het een prachtige rit en ik reed in m’n uppie tussen de meest spectaculaire geelrode zandstenen kliffen. Ik zette m’n tent op aan het meer en kwam tot de conclusie dat er ook in dit deel van de reis genoeg bijzonders te vinden is, maar ik zou er misschien iets harder naar moeten zoeken.

De uitvalsbasis voor het toerisme in deze regio is een stadje genaamd Karakol. Ik kwam aan in een gelikt backpackershostel en wederom kreeg ik een onwennig gevoel na een ruime maand in de bergen. Meteen viel op dat het sfeertje anders was dan dat in de overlandershostels. Begrijp me niet verkeerd, het was er super gezellig, maar ik kwam er niet helemaal in mee. Het voelde alsof je precies dezelfde sfeer met precies dezelfde mensen en precies dezelfde gesprekken ook zou kunnen vinden in Praag, Mexico-stad of Bali. En hoezo is iedereen Australisch?
Overigens is d’r ook een hele andere verklaring mogelijk voor mijn onwennige gevoel, en dat is dat ik het sociaal niet helemaal kon bijbenen. Dat is sowieso nog wel een dingetje soms in zulke extraverte settings, maar in dit geval was er na vier maanden op de motor ook een bepaalde fundamentele vermoeidheid bij me gegroeid en ik kon het aanvankelijk niet opbrengen m’n joviale kant aan te zwengelen. Toch bleek het sociale gebeuren de motor voor de volgende dagen.
Tijdens m’n eerste dagen in Karakol twijfelde ik of ik aan een meerdaagse trek naar een 4000-meter-piek zou beginnen. Normaal gesproken niet zo’n probleem, maar het was inmiddels najaar en het had de afgelopen dagen al flink gesneeuwd. Een kamergenoot in het hostel liet me het onderstaande filmpje zien van hun poging de trek te maken, die ze halverwege op hebben moeten geven.
In de kroeg in Karakol trof ik een Nederlands stel van mijn leeftijd die met hetzelfde dilemma zaten. Onverstandig of niet, het nieuw ontstane groepsgevoel werkte aanstekelijk. Plots klonk “laten we het gewoon proberen” als een uitstekend plan. Het idee was om een deel van de route te lopen: tot de bergrug en weer terug, zonder de lange oversteek te maken. Bovendien hadden zij een (soortvan) terreinwagen gehuurd, waar we de route deels mee af konden leggen en dus ook snel mee zouden kunnen omkeren mocht het weer omslaan. Later sloot een Deense jongen, Viktor, zich aan. En zo stonden we de volgende ochtend met z’n vieren klaar, collectief overtuigd van onze eigen redelijkheid.

De sneeuw had de aanrijroute veranderd in een modderig experiment. Na twee bijna-vast-ervaringen besloten we de auto te parkeren en vroegtijdig over te stappen op de benenwagen. Geen probleem, de omgeving was ondertussen veranderd in een beeldschoon landschap dat me ontzettend deed denken aan de Zwitserse Alpen.
Het tempo zat er goed in en gaandeweg voegden andere groepjes uit het hostel zich bij ons. Gezamenlijk zaten we lekker in de wedstrijd en de spirits waren hoog. Toch grappig, waar ik een paar dagen eerder nog mijn toevlucht zocht in een lege canyon, liep ik nu met een brede lach een wandeling die ik zonder anderen waarschijnlijk nooit was begonnen. Dezelfde vraag die me op de Pamir al achtervolgde, diende zich opnieuw aan. Ben ik in de kern inderdaad echt een solo reiziger? Of zit het probleem misschien niet bij de mensen, maar bij mijn behoefte om mezelf weer zo nodig als uitzondering te presenteren?

Op 3000 meter zouden we, het Nederlandse stel, Viktor en ik, overnachten in een yurtkamp. Deze kampen worden halverwege de lente opgezet, vroeger door herders en tegenwoordig voor wandelaars, en in de herfst weer afgebroken. Wij waren de allerlaatste nacht van het seizoen en ik snapte waarom: ’s nachts zakte de temperatuur tot in de dubbele cijfers onder de nul. Toch hebben we een super avond gehad met spelletjes en de vier blikjes bier die we met moeite omhoog hadden gesleept. Gezellig knus kwamen we de nacht door.

De volgende ochtend begonnen we om 7 uur aan de klim naar de bergrug op 4000 meter. We zaten aan de zonnige kant van de berg, wat minder prettig bleek dan het klinkt. Overdag smolt de sneeuw, ’s nachts bevroor alles weer tot een dun laagje ijs over de rotsen. Het was vrij letterlijk twee stappen vooruit en eentje achteruit, waarbij we steeds een stukje naar boven klauterden voordat één van ons weer een endje teruggleed. Een paar keer ging het maar net goed, en we vroegen ons hardop af of het wel verantwoord zou zijn dezelfde weg weer terug te nemen.
Toen we eindelijk de top bereikten waren we allemaal vrij extatisch. Toch bijzonder hoe je brein een ervaring die objectief vrij suboptimaal was dan opeens om kan toveren in een plezierige herinnering. Ondertussen hadden meer wandelaars de top bereikt, en ineens hoor ik iemand roepen: “Hey Yaran!”. Tot mijn grote verrassing een jongen met wie ik eerder in Samarkand, in Oezbekistan, een paar avonden had gespendeerd. Weer zo’n wonderlijke reünie.

Het toerisme waar ik me beneden aan had geërgerd, voelde hier anders. Ja, we waren met meer. Maar het was geen rij identieke huisjes; het was een groep mensen die dezelfde discutabele beslissingen had genomen om hier te staan. Is het uiteindelijk dan gewoon een kwestie van de juiste niche aan mensen vinden?
Aangestoken door de teamspirit besloten Viktor en ik om met een kleiner gezelschap toch de volledige route te lopen en nog twee dagen aan de tocht toe te voegen. Eerlijk is eerlijk: het idee om over het ijs terug naar beneden te moeten klauteren speelde ook mee. Soms vermom je angst als ambitie.

De omstandigheden werden er niet veel beter op aan de schaduwzijde van de berg. We liepen tegen een letterlijke muur van sneeuw aan waar we doorheen moesten afdalen, terwijl het ondertussen opnieuw begon te sneeuwen. In de vier uur daarna legden we misschien drie kilometer af en wederom bedacht ik me hoe ik hier in m’n uppie nooit aan was begonnen. Dat besefte ik meerdere keren terwijl ik tot mijn knieën wegzakte. Maar gedeelde penarie weegt lichter dan solitaire twijfel en er zat iets geruststellends in het samen sukkelen.

Na ruim elf uur lopen bereikten Viktor en ik een guesthouse in de volgende vallei. Een douche hadden ze niet, maar dat maakte vrij weinig uit want we hadden toch alleen maar ingepakt voor één nacht op basis van ons originele plan. Wat ze wel hadden was een hutje met een hot spring naast de rivier. Ik heb het normaal niet zo op langere periodes zitten niksen in warm water, maar in dit geval hebben we er uren gespendeerd terwijl we in de diepte over onze levens praatten.
De volgende dag volgden nog twintig doodsvermoeiende kilometers de vallei uit voor we terug konden keren naar het hostel. ’s Avonds werden er overwinningsbiertjes gedeeld met de anderen die de top hadden gehaald, maar tijdens de nabespreking bleek dat het voor één van de wandelaars minder goed was afgelopen. Hij was uitgegleden, brak zijn been en had uren in de kou gelegen voordat zijn wandelgenoot vier lokale Kirgiziërs op had kunnen trommelen om hem naar beneden te dragen.
Het was een ontnuchterende herinnering aan de realiteit. Groepsgevoel kan je omhoog dragen, maar zwaartekracht blijft een individuele aangelegenheid. Net zoals in de laatste dagen van de Pamir is dat misschien ook wel het contrast dat deze dagen typeerde. Beneden zocht ik eenzaamheid om het massatoerisme te ontlopen. Boven vond ik juist het vertrouwen en de nieuwe mogelijkheden die het onderdeel zijn van een groep met zich meebrengt. En ergens daartussenin probeerde ik vooral mijn koppie d’r bij te houden.






Geef een reactie