In de week tussen Bishkek en de Chinese grens zat ik in een heerlijke reisflow. Elke dag reed ik een bescheiden aantal kilometers en vond ik het tegen de namiddag wel mooi geweest. Dan zocht ik een plek voor m’n tent, de ene nog mooier dan de ander, al kwamen sommige met hun eigen verrassingen.
De eerste avond kreeg ik ’s nachts bezoek van een Kirgizische soldaat. Kennelijk had ik m’n tent vlakbij een cruciale energiecentrale neergezet, maar na een vlugge babbel bleek dat verder eigenlijk wel prima te zijn. Ik vermoed dat ik niet direct uitstraal dat ik een gevaar voor de nationale energiezekerheid vorm, maar je schrikt je wel helemaal de getver als er in het donker ineens een dude met een geweer aan je tent staat te morren, geloof me.

Het was begin oktober, maar de winter was onmiskenbaar begonnen en ik reed m’n eerste besneeuwde passen in temperaturen rond het vriespunt. Ik zou het geen wellnesservaring noemen, maar met Tibet in het vooruitzicht leek het me verstandig er zo gauw mogelijk aan te wennen. En hoe wen je sneller aan de kou dan kopje onder te gaan in een bergmeer? Gedeeltelijk uit noodzaak, want een week wildkamperen doet wat met de geurbeleving. Hoe koud het ook was, ik vond het heerlijk in het water. Wie heeft er eigenlijk een douche nodig? (en dat zeg ik!)
Na mijn rondje Kirgizië was ik terug in Osh. Hier wilde ik nog wat laatste dingen regelen aan Dragan voor ik aan de intense oversteek van China zou beginnen. Na wat rondbellen kon ik weer bij een motorzaak, Ala Too Moto, tegen een klein prijsje zelf aan de slag. Hoewel ze officieel al gesloten waren voor het seizoen werd ik grappig genoeg bij aankomst als verloren zoon onthaald door de eigenaar. Een maand eerder was ik hier ook geweest en was toen al met hem aan de praat geraakt, overigens zonder verder iets te kopen. Nu kreeg ik een enthousiaste hand op m’n schouder: “welkom terug”. In z’n manier van doen zat een bepaalde vaderlijke zorgzaamheid.
Terwijl ik met Dragan in de weer was vertelde ik hoe een dag eerder nogal knullig over mijn scheerlijn was gestruikeld en m’n tentstokken had gebroken. “Geen probleem!” riep de beste man, en hij en z’n assistenten begonnen druk te knutselen en te lassen. Twintig minuten later zat er een op maat gemaakte metalen huls om de stokken heen en had ik weer een tent die overeind bleef staan.

Wat deze man uiteindelijk pas echt van onschatbare waarde maakte voor mijn reis kwam t oen ik mijn zorgen uitsprak over de Himalaya in november. Ik had namelijk wel wintermotorhandschoenen op de lokale markt gevonden, maar die waren ongeveer even warm als veilig. Hoewel ik het niet snel koud heb zijn m’n handen een uitzondering, en in de Nederlandse winter rijd ik om die reden rond met elektronisch verwarmde handschoenen. Een luxe die ver verwijderd is van wat ik nu tot beschikking had, terwijl de temperaturen nu een stuk lager zouden uitkomen.

De eigenaar rommelde wat in een kast en kwam met iets dat de kroon spant voor zowel esthetische walgelijkheid als pure bruikbaarheid: handhoezen voor op je stuur. Ik weet niet of ze een naam hebben, maar het zijn van die dingen waar je maaltijdbezorgers in de winter mee ziet rijden. Daar hebben ze groot gelijk in, want om enigszins op de zaken vooruit te lopen kan ik je vertellen dat ze ongelofelijk effectief zijn. In Tibet zou ik deze man nog veelvuldig hardop bedanken.

Ondertussen had een Amerikaans stel zich bij ons gevoegd. Zij hadden hun motoren tijdelijk in Osh gelaten en stonden ook op het punt om China in te gaan, maar dan naar Laos, en we spraken af om elkaar later die avond te treffen voor een biertje. Op hetzelfde moment werd ik in een Whatsapp groep gegooid met de medereizigers waar ik mee naar Nepal zou rijden, en ik zag een kans om de hele groep bij elkaar te gooien voor een avond aan reisverhalen.
We kwamen samen op dezelfde plek waar ik drie weken eerder die fantastische avond met medemotorrijders had. Deze keer was het een mix van auto- en motoroverlanders, maar de sfeer was er niet minder om. De enige andere motorrijder uit mijn Nepalgroep was er ook: Tim, een joviale jonge Duitser. We waren het er vrij snel over eens dat we allebei opgelucht waren dit niet alleen te hoeven doen.
De volgende dag reed ik naar Sary-Tash, het laatste dorp op de hoogvlakte voor de Chinese grens. Het was opvallend druk met motorrijders: een Iraanse jongen, een Italiaans stel en een Nederlandse groep van vier. Zij hadden het beter bekeken en gingen richting Zuidoost-Azië, terwijl alleen Tim en ik onze zinnen op Nepal hadden gezet.

We brachten een paar goede dagen samen door. Het Italiaanse stel, kennelijk Instagram-beroemd in hun thuisland, gaf me social media tips. Mocht de kwaliteit van m’n video’s binnenkort ineens omhoog schieten, dan weet je waar dat vandaan komt. Ik kon het in het bijzonder goed vinden met de Nederlandse groep van vier, dat bestond uit twee stellen die elkaar onderweg hadden ontmoet, maar wel toevallig allemaal dezelfde motor reden (Honda CRF300 Rally’s voor de geïnteresseerden).

Op de grensdag stonden we vroeg op, bij een frisse -4°C. De Nederlanders hadden hun motoren een dag eerder gewassen en dat hadden ze beter niet kunnen doen, want hun sloten zaten muurvast gevroren. Na een halfuur klooien met kokend water en een föhn kregen ze alles weer open en kon onze stoet richting China vertrekken.

De rit die ochtend was fenomenaal. Omdat we op bijna vier kilometer hoogte reden had Dragan het zwaar en pufte en zuchtte bij elke klim, maar met het opkomende zonnetje en de opwinding om een land zo onbekend als China binnen te rijden was er weinig dat de spirits kon dempen.






Geef een reactie