Een paar dagen geleden ben ik er weer even achter gekomen hoe gruwelijk koud het kan worden in de bergen. Er waren al wel signalen, op de camping had ik een Duitse jongen ontmoet die vertelde dat hij het in zijn omgebouwde busje de nacht daarvoor al stervenskoud had gehad met zijn slaapzaak en drie dekens. Gewapend met twee thermolagen, een hoodie, een wollen colletje en drie paar sokken ging ik die avond dus mijn slaapzak in. Het mocht allemaal niet baten toen de temperatuur die nacht een aardig stukje onder het vriespunt doorging. Totaal verkleumd heb ik toen de beslissing gemaakt om uit te wijken naar een hostel verder de bergen in, om specifiek te zijn in het Aoraki/Mount Cook village, waar ik op het moment van schrijven nog steeds ben. Dat is niet volledig bij mijn eigen keuze aangezien we aardig ingesneeuwd zijn, maar ik zit daar totaal niet mee: ik vind het hier fantastisch.

Nadat ik voor drie dagen boodschappen had gehaald in het dichtstbijzijnde dorp (ongeveer een uur verderop, enkele richting) reed ik verder omhoog de vallei in om uiteindelijk uit te komen aan de voet van een gletsjer, omringd door de meest mythische bergruggen. Het “dorpje” is eigenlijk een duur hotel met een paar accommodaties en huisjes er omheen, zomers zal het hier dan ook wel stampvol zijn vermoed ik. Niet onterecht, de plek is werkelijk waar fenomenaal. Als je goed kijkt naar bovenstaande foto kan je het dorpje rechts zien liggen. Vrijwel meteen bij aankomst in het hostel raakte ik aan de praat met een Duits meisje, samen hadden we het plan gevormd om de volgende ochtend een flinke klim te maken. Om 7u stonden we naast ons bed, maar toen de we de voordeur opende bleek het nog niet zo makkelijk te worden: de nacht had een dik pak sneeuw over het gebied heen gelegd. Het zonnetje scheen echter alweer en we wilden in ieder geval een poging wagen om ons doel van de Mueller Hut op zo’n 2000m hoogte te bereiken, wat heen en weer normaal eigenlijk een meerdaagse tocht is. De route zelf lag gelukkig niet in lawinegevaar gebied, maar dat het zwaar zou worden in de sneeuw stond vast.

Zwaar was het zeker, maar wat is het toch fantastisch om in de bergen te zijn. Zeker naarmate we hoger kwamen, het eerste deel bestond namelijk uit een oneindig voelende 2200 traptreden, begon het echte feest. Ondertussen bevonden we ons midden tussen de bergpieken. Zo af en toe ontstonden er lawines op de bergkam tegenover ons, het was voor het eerst in mijn leven dat ik zulk natuurgeweld van zo dichtbij kon meemaken. Banjerend door de sneeuw en na een gezonde hoeveelheid serieus scramblewerk bereikten we rond lunchtijd de berghut. Een ongelofelijke plek vond ik dat, ik kan me alleen maar voorstellen hoe het moet zijn om daar te slapen en ‘s ochtends de zon op te zien komen over Mt. Cook. We zijn er een heel tijdje blijven hangen met de ontzettend gezellige klimmers die er gingen overnachten. Wie weet krijg ik deze reis nog de kans om zelf in een berghut te slapen, hoewel ik vermoed dat dat zal moeten wachten tot een volgende trip gezien de temperaturen van dit jaargetijde in NZ. In de hut hadden we een jongen uit Wales ontmoet, waar we samen de knie-slopende afdaling mee hebben gemaakt. Al met al hebben we zo’n 8 uur gelopen, dus tegen de tijd dat we beneden kwamen zat er geen sprankje energie meer in. Eigenlijk hadden we nog zo’n 40 minuten terug moeten lopen naar het hostel, maar gelukkig had onze Welshe vriend zijn levensreddende omgebouwde auto dichtbij staan. Ruimte was er niet, dus bovenop zijn bed zijn we naar het hotel gereden (de enige plek die open is in de winter) om één van de duurste maar lekkerste pints uit m’n leven te drinken. Zo hebben we uiteindelijk samen heel wat uurtjes met het onderstaande uitzicht door kunnen brengen.

Een paar dingen beginnen mij ondertussen te dagen. Allereerst hoe bijzonder het is dat je dit soort buitengewone gedeelde ervaringen kan hebben met mensen waarvan je de dag daarvoor nog niet eens wist dat ze bestonden. Oprecht fantastische mensen ook. Ik heb natuurlijk wel vaker mensen ontmoet tijdens het solo reizen, maar aangezien ik dan meestal ergens afgelegen in een tentje zit, wat ook fantastisch is, was dit eigenlijk voor het eerst op de klassieke backpack manier waar je uit het niets ineens hele dagen kunst spenderen samen. Met een beetje geluk gaan we elkaar later zelfs weer tegenkomen. Dat brengt me op mijn tweede gedachte: door alle verhalen begin ik nu pas echt te voelen hoeveel bijzonders er te vinden is in Nieuw-Zeeland. Ik heb zat mensen gesproken die hier al 6+ maanden aan het reizen zijn en nog zoveel plannen hebben. Binnen de gegeven periode moet ik me toch wel enigszins aan een soort lineaire route houden, maar op een dag zou ik graag nog eens zo lang door een land willen reizen dat je tijd hebt om tot in de eeuwigheid kriskras heen en weer te tuffen.
Dan mijn laatste gedachte van vandaag: ik begin vrede te krijgen met het feit dat ik in het “verkeerde” seizoen in NZ ben. De dagen zijn misschien kort en koud, maar ik heb het gevoel dat er ook deuren open gaan. Zo is dit hostel in de zomermaanden meestal al ver van tevoren volgeboekt, dus in die tijd van het jaar had het hele verhaal zoals ik dat nu beschreven heb überhaupt niet kunnen plaats kunnen vinden. Bovendien begin ik te denken dat het feit dat er nu minder mensen zijn misschien juist kan leiden tot betere connecties. Mogelijk dat de ruige omstandigheden ook iets verbroederends met zich meebrengen, maar ik denk vooral dat er minder ruis is om je af te leiden. Mij bevalt dat wel.








Geef een reactie