Een nieuwe dag, dus natuurlijk nieuwe problemen met de Transalp. In dit geval begon Alans motor ongecontroleerd benzine te spugen uit één van de overflow slangen. We stonden wat beteuterd langs de weg tot een vriendelijke tegenligger stopte om te helpen. Hij verwees ons naar een monteur in het volgende dorp, waar zoals we ondertussen gewend zijn het volledige inwonertal uitstroomde om te helpen/een kijkje te nemen bij deze kneuzen.

De monteur hebben we nooit gevonden, maar terwijl we in het dorp stonden te praten met de bewoners had het incontinentieprobleem zichzelf wonderlijk genoeg opgelost. Waarschijnlijk iets met het vacuümsysteem. Misschien te maken met de hoogte, misschien magie. Wie zal het zeggen. Overigens mondde onze stop uiteindelijk uit in een welkome onderbreking door de aanwas aan kopjes thee en de lekkerste verse appels die ik ooit heb gehad.

We reden verder de Wakhan-vallei in. Een smalle strook tussen de bergen, met Tadzjikistan aan de ene kant van de rivier en Afghanistan aan de andere. Af en toe kom je hier een klein dorpje tegen, maar voor het grootste deel rij je over onverharde wegen door leeg, kaal gebergte. Door de combinatie van zand, losse steentjes en droogte vormen zich snel wasbordjes: eindeloze ribbels in de weg, ontstaan door vering en verkeer in de loop van de jaren. Dan heb je twee opties: ofwel stapvoets rijden in de ijdele hoop dat je vering het overleeft, of juist flink blijven doorrijden en als het ware over de ribbels heen zweven. Wij kozen voor dat laatste.
De minimale snelheid lag rond de 60 km/u. Dat klinkt niet als veel, maar geloof me: dat is hard hoor. Zeker omdat remmen in essentie niet mogelijk is, dan duik je namelijk direct voorover de wasbordjes in en is een zwaar ongeluk vrijwel gegarandeerd. Het is dus een kwestie van gas blijven geven, ver vooruit kijken en plezier vinden in de dunne lijn tussen stabiel rijden en een onnodige dood sterven. Door het gebrek aan grip beweegt de motor onder je alle kanten op, een zeer ontregelend gevoel maar eentje waar je maar beter zo snel mogelijk vrede mee kan sluiten. Ik zal eerlijk toegeven dat ik het aanvankelijk doodeng vond, maar langzamerhand begon ik over de dagen zelfvertrouwen op te bouwen.
Wel merk ik nu weer dat onze arme Dragan hier echt niet voor gemaakt is. Los van het totale gebrek aan veerweg en grondspeling, is het voorwiel is ook veelste klein en schiet steeds van links naar rechts op losse ondergrond. De grootste risicofactor blijf ik echter zelf. Wanneer ik in vorm ben durf ik gas te blijven geven, maar als ik er om wat voor reden dan ook niet helemaal lekker in zit verandert de boel in een onstabiele bende. Immers; hoe minder hard je gaat, hoe minder stabiel de motor is. Ondanks dat het misschien niet zo aanvoelt. Je bent dus kansloos wanneer je teveel in je hoofd zit of gaat zitten twijfelen, en dat was voor mij best een uitdaging.
We passeerden een hammam-achtige plek met een warmwaterbron en besloten een kijkje te nemen. Om er te komen moest er een steile slingerweg omhoog door de modder bestegen worden, waarna je aankomt bij een verder weinig spectaculair gebouwtje. Zonder dat je het doorhebt sta je echter naast een waterval van warm water. Vanuit het gebouwtje, half in de bergen gebouwd, loopt een nietsvermoedende trap naar beneden, waarbij je onderaan ineens in een grot staat waar water van 42 graden uit de rotsen stroomt. We werden vriendelijk begroet door de grote groep naakte mannen die daar zaten uit te puffen. Een grappig contrast, gegeven dat we nog steeds in gebied zijn waar een korte broek dragen als man in principe niet de bedoeling is. Ze vertelden ons dat dit hun wekelijkse wasbeurt was, bij gebrek aan stromend water in de hele vallei.

Terwijl we bleven stijgen richting het Pamir plateau op 4200m werden de wegen slechter en slechter. Zoals eerder vermeld is “weg” hier eigenlijk een misleidend woord om te gebruiken. Het is beter om te spreken van een meer dan gemiddeld vlak stuk berg waar je overheen rijdt. Alles schudde heen en weer, m’n vering bottomde regelmatig en ik bleek achteraf meerdere bouten en aanbouwonderdelen te zijn verloren. Problematischer is echter dat we ondertussen naast serieuze kliffen reden. Eén foutje, één verkeerde stuurbeweging tussen het losse gesteente, en m’n studieschuld zou spontaan geen probleem meer zijn. Maar wat was het spectaculair mooi.

We waren gewaarschuwd dat er verderop een ingestorte brug was en dat we een rivier moesten doorwaden. Dat is op zich niet nieuw, maar volgens andere reizigers was deze van een ander kaliber. Het plan was daarom om vlakbij te kamperen en het de volgende ochtend te proberen, wanneer er minder smeltwater is. Maar natuurlijk besloten we die avond alvast te gaan kijken. Grote fout.

Ik schrok flink van wat ik aantrof. Een kolkende rivier die zichzelf had verlegd naar de weg, waardoor je dus niet alleen de rivier oversteekt maar ook daadwerkelijk volgt voor een paar honderd meter. Nergens zag je de diepte of de ondergrond. Hoewel we besloten hadden pas ’s ochtends een poging te wagen kreeg ik het beeld niet meer uit m’n hoofd. En jahoor, onderweg terug naar het kamp liet ik, voor het eerst deze reis, mijn motor vallen. Gelukkig aan de goede kant van de weg.

De volgende ochtend stroomde er inderdaad aanzienlijk minder water, maar desondanks was het een hele kluif. Dat kwam met name door dat kleine voorwiel van me dat zichzelf vast bleef werken tussen de losse rotsen. Met Manual die de motor vanachter overeind hield lukte het uiteindelijk Dragan aan de andere kant te krijgen. En dat was nog maar het begin van de zwaarste rijdag uit mijn leven.

Ik zat er na dit alles wat angstig in, en zoals we tot zover hebben geleerd is succesvol offroaden vooral een mentale exercitie. Het zal dus geen verrassing zijn dat ik nog geen twee uur later mijn eerste echte crash had. Ik begon te twijfelen tijdens een afdaling, minderde vaart en precies toen raakte het voorwiel een rots. Het stuur sloeg weg, ik vloog over de motor heen en maakte een harde landing op mijn linkerpols. Mijn airbag ging af en voorkwam ergere schade. Dragan had krassen en barsten, maar alle essentiele onderdelen waren nog oké. Ondanks dat er bij ons beide dus geen sprake was van levensbedreigende schade, heb ik alsnog een heel tijdje naast de motor gezeten terwijl het huilen me nader stond dan het lachen.

Elke keer dat ik dacht dat het toch niet slechter zou kunnen, bleef de weg me weer verbazen met nieuwe moeilijkheden. Grote rotsen, gaten, ravijnen, los grind, wasbordjes. Het grootste probleem was echter zand. Ik snap niet hoe mensen dat doen, want daar doorheen rijden is alsof je over ijs rijdt. Zonder offroad banden tenminste, ik denk dat het gerust te doen zal zijn als je banden met knobbels hebt. Misschien dat ook hier flink gas geven nog had kunnen helpen, maar ik kon het niet opbrengen en ben in het zand nog een derde keer op m’n plaat gegaan. Voordeel is dan wel weer dat zand zacht is, dus zonder problemen landde ik languit op m’n rug.

Niet veel later had Alan ook geen beste crash, waar hij met de motor van de weg af schoot en bijna een paar meter naar beneden donderde. Gelukkig kon hij er op tijd afspringen en bleef z’n Transalp steken in het zand. Met z’n drieën hebben we de motor weer rechtop gezet en semi-gecontroleerd naar beneden gekregen.

Na die dag een uur of negen onderweg te zijn geweest draaiden we vanaf de Wakhan vallei terug de Pamir Highway op en was daar eindelijk verlossing: asfalt. Ik ben geen VVD’er maar op dat moment beschouwde ik asfalt de meest briljante uitvinding die de mens ooit heeft gedaan. Ik viel spontaan op mijn knieën in dank aan deze fenomenale grijze verworvenheid. Maar vooral ervaarde ik een oprecht gevoel van trotsheid: op mezelf, op ons functioneren als groep, maar bovenal op Dragan. Ik weet niet of dergelijke trots een passende emotie is voor een mechanisch object, maar hoe je het het ook went of keert heeft deze kleine straatmotor een gebied doorstaan waar menig offroadmotor al is gesneuveld. Dat moet toch een bepaalde eer toekomen.






Geef een reactie