Helaas is mijn pakketje met zadeltassen en benodigde motoronderdelen nog steeds niet aangekomen. Ondanks dat heb ik besloten om Wānaka te verlaten, en dan later weer terug te komen om m’n pakketje op te halen. Al met al denk ik dat het hostel me misschien wat té sociaal werd. Het was er druk, dus onvermijdelijk krijg je dan een soort groepsvorming met bijbehorende dynamieken. Er valt vanalles over te zeggen, maar ik had er geen zin in. Daar komt nog bij dat ik er ook niet zoveel voor voel om me bij het treintje aan te sluiten, het bleek namelijk al gauw dat eigenlijk iedereen zo ongeveer hetzelfde rondje over het Zuideiland doet met dezelfde bestemmingen onderweg. Ik heb die feestbus dus lekker door laten rijden en ben op de motor gestapt de andere kant op. De bestemming: Kinloch. Het beschrijven als een gehucht is nog een te groot woord, eigenlijk is het een soort herberg complex met een paar huisjes er omheen voor het personeel, of voor zij die de maatschappij niet langer onder ogen willen komen.

Vanuit Queenstown is het nog zo’n vijf kwartier rijden om hier te komen. In mijn geval duurde het nog wat langer, want het laatste deel is weer onverhard en dat blijft een uitdaging op de motor. Niet dat ik het erg vond, ik reed in het zonnetje op mijn gemak door een soort prairielandschap terwijl ik links en rechts getrakteerd werd door prachtige voorbijvliegende vogels die mij totaal nieuw zijn. Nou moet ik toegeven dat ik voor een bioloog ook erg slecht ben in vogels spotten, maar ik durf met vrij grote zekerheid te zeggen dat dit soort kleurige beesten niet in Nederland voorkomen. Overigens was het landschap niet alleen prachtig maar ook herkenbaar: dit was de locatie voor onder andere Isengard in de Lord of the Rings. Voor de filmfans zou je het op bovenstaande foto moeten kunnen herkennen. Onderweg heb ik nog een stop gemaakt in Arrowtown, een voormalig mijnstadje tijdens de goudkoorts in de 19de eeuw. Fascinerend stukje geschiedenis, hoewel ik het bijzonder blijf vinden dat alle “Historic Sites” maximaal 150 jaar oud zijn. Het voordeel daarvan is dan wel weer dat alles nog redelijk intact is, hoewel ik me bijna niet kan voorstellen dat al het houtwerk van het Western-achtige stadje nog origineel is. Het maakt de toeristen in ieder geval niet uit, de namaak goudklompjes waren niet aan te slepen.

Aangekomen in de “Kinloch Wildnerness Retreat” wist ik meteen dat ik goed zat. Een prachtige ligging aan het meer, super vriendelijke eigenaren en ze hebben zowaar een gezellig barretje (een uitzondering in NZ). Het blijkt dat het eigenlijk meer een plek is voor de hogere inkomens, maar in de winter knallen ze wat stapelbedden in een deel van de kamers en kan een arme sloeber als ik er ook terecht. Weer een voordeel aan reizen in deze tijd van het jaar! Ik zou ook de enige zijn, en eigenlijk had ik alle voorzieningen voor mezelf. Inclusief jacuzzi, hoewel ik daar niet zoveel mee heb. Uiteindelijk bleek er laat op de avond toch nog wat gezelschap te komen: een Nieuw-Zeelands meisje was verdwaald geraakt en had meer dan 40 km gelopen die dag toen ze de eigenaren belde, die haar uiteindelijk zijn komen ophalen een stukje verderop. Daarnaast kwam een Spaans/Nederlands verkleumd stel aanwaaien, de verwarming in hun busje het had begeven. Met z’n vieren hebben we ons prima vermaakt en genoten van de ongekende luxe van een ruime keuken, open haard en thuisbioscoop (inclusief popcornmachine!).
Het plan voor vandaag was om weer een berg te beklimmen. In de buurt loopt een bekende route, één van de Great Walks of NZ, maar ik had gehoord dat dit specifieke stuk zelfs deze tijd van het jaar nog retedruk is. Ik ben dus uitgeweken naar een onbekender pad, welke begon met een steile klim door een prachtig, bijna tropisch, bos. Geen ziel tegengekomen op weg omhoog, ik vond het prachtig. Tegen de tijd dat ik de bomengrens passeerde veranderde het landschap echter naar een groot rotsveld bedekt met dun laagje transparant ijs. De rotsen waren dus ondoenlijk spekglad. Na twee keer op m’n plaat te zijn gegaan besloot ik dat het mooi geweest was, ineens realiseerde ik me dat in je eentje op een berg zijn dan niet zo romantisch meer is. Bereik was er niet, dus als ik nu mijn enkel zou breken zou ik zwaar in de nesten zitten.

Nog geen drie minuten nadat ik was omgedraaid sloeg het noodlot toe: ik gleed uit, viel ongeveer een halve meter naar beneden en landde snoeihard met mijn elleboog op een rots. Godverdomme wat deed dat pijn zeg. Voor een moment durfde ik ook oprecht niet naar m’n arm te kijken. Gelukkig viel het mee, buiten een laagje bloed was er niks te zien en alles bewoog nog zoals het hoort. Op het moment van schrijven zit ik een biertje te drinken in het kleine restaurantje in de Lodge en doet de hele handel wel nog steeds schreeuwende pijn, dus we gaan even kijken hoe het uitpakt. Als motorrijder in een land waar verzekeringen niet verplicht zijn heb ik allerlei extra reis/ongevallenverzekeringen afgesloten, dus desnoods doen we even een tripje langs de lokale dokter en dan komt het vast wel weer goed.






Geef een reactie