Bij mijn vertrek uit Greymouth bleek ik dan toch geluk te hebben, het was een prachtige dag na de storm. Voor het eerst in weken hoefde ik mijn waterdichte barbapapa-achtige overpak niet meer in te kruipen en dat was op zichzelf al een feestje. Opgelucht vervolgde ik mijn weg noordwaarts via de ruige maar prachtige West Coast. M’n geluk zette door en de weg was kurkdroog, behalve daar waar de golven van de oceaan over de weg sloegen. Een fenomenaal gezicht.

Mijn eerste stop was de Pancake Rocks in Punakaiki. Ik was verbaasd over het spektakel van deze gestapelde rotsformaties die uit de zee staken, zeker ook omdat de gelaagdheid van de rotsen nog steeds niet volledig begrepen wordt. Tijdens de lunch begon zowaar het zonnetje door te komen. Ik kreeg het er maar warm van terwijl ik daar zat in m’n motorpak, wat nu een goed teken was. Als vuistregel kan je er namelijk van uitgaan dat je, in dit soort omstandigheden, het absoluut blafheet moet hebben wanneer je stilstaat zodat je het niet ijskoud hebt wanneer je rijdt. En inderdaad, het was zelfs warm genoeg om mijn zomerhandschoenen aan te doen. Dat is toch ook altijd wel heel prettig, het rijdt namelijk net wat strakker.

De weg was grandioos en ik zweefde van bocht naar bocht tot ik aankwam in Karamea. Los van dat het klinkt als een chocoladereep is het een hartstikke geinig plaatsje. Om er te komen rijd je anderhalf uur lang over een doodlopende weg, die daardoor nóg rustiger is, door de bossen, bergen, stranden en kliffen. Bij aankomst had ik nog aardig wat energie over, en kennelijk ben ik nu noord genoeg gekomen om in de namiddag nog een rondje te doen, zonder jas, over het strand met ondergaande zon. Toch nog een beetje dat zomergevoel.
Ik ben hier om twee verschillende wandelingen te maken. De eerste heeft te maken met een bijzonder verschijnsel in Nieuw-Zeelands: zogenaamde Glow Worms. Dit zijn, zoals de naam al prijsgeeft, inderdaad wormen die licht geven, welke je tegen kan komen in bepaalde grotten. Ik geloof dat er andere varianten ook elders in de wereld voorkomen, maar in NZ is het een attractie en kan je met zo’n treintje sommige grotten in. Dat leek me nou helemaal niks. Gelukkig had ik gelezen over grotten in het hoge noorden waar je binnen een paar uur wandelen door het bos diezelfde wormen zou kunnen zien. Veel beter. Goed voorbereid met mijn hoofdlamp en de laatste informatie van de Department of Conservation (soort Staatsbosbeheer) ging ik op pad.

Het pad in kwestie volgde grotendeels een oude paard en wagen aanvoerroute voor een 19de eeuwse goudmijn. Tot zover prima, maar één keer aangekomen bij de grotten waar het om ging was het wel weer zo’n situatie waar ik op papier leuk over zit te doen, maar in de realiteit toch wat minder dapper blijk. Omringd door tropisch bos lag voor mij een gigantische zwarte diepte waar geen einde van in zicht was. Deze zou ik een paar honderd meter moeten doorkruisen om bij de andere kant te komen. Zonder hoofdlamp hoefde je het ook niet te proberen, want je volgt in essentie een ondergrondse rivier mee naar beneden en hebt dus elk ledemaat nodig om te klimmen. Ik kan niet liegen en zeggen dat ik voor een moment heb overwogen om weer lekker om te keren en dit deel van de dag tactisch niet mee te nemen in deze post, maar uiteindelijk won de nieuwsgierigheid en ben ik naar binnen gegaan. In het pikkedonker kan je alles zien en kunnen alle geluiden alles betekenen wat je hoofd maar kan bedenken, dus het is vooral een kwestie van je gedachtes onder controle houden. Na een meter of honderd, ik kon de ingang allang niet meer zien, gokte ik dat ik ongeveer halverwege moest zijn. Het vraagt wat moed om dan je lamp uit te zetten en de intense duisternis te omarmen.

Na een paar seconden waren mijn ogen gewend, en verrek! Op meerdere plaatsen boven en naast me begonnen er lichtjes te verschijnen. Op onderstaande foto is vrijwel niks te zien, dus je moet het maar even op mijn woord aannemen dat het een bijzonder schouwspel was. Vreemd genoeg was ik ook helemaal niet meer bang, ik vond het prachtig. Dat gezegd hebbende was ik ook zeker niet ontevreden toen het daglicht mij weer tegemoet kwam.

De volgende dag wilde ik verder reizen, maar niet voordat ik de korte wandeling had gemaakt naar de Operara Arches. Deze plek bestaat uit een rivier die zich over tijd door de kalksteenlaag van een berg heeft gesleten, waardoor er nu een soort gigantische overkoepelde ruimte is ontstaan. Om er te komen moest er eerst nog 20 km over een onverharde weg afgelegd worden, die gedeeltelijk bestond uit steile haarspeldbochten. Maakt me niks uit, op dit punt draaien Larry en ik onze handen daar meer voor om. Vervolgens moest er nog een halfuurtje gelopen worden, waar een motorpak natuurlijk niet uitermate geschikt voor is. Al met al echter niet meer oncomfortabel dan met je motorpak in een vliegtuig zitten, dus ook dat was geen reden tot zorg. Aangekomen was het het ook absoluut waard. Wederom doen de foto’s er geen recht aan, maar stel je even tientallen meter hoge rotsbogen voor je die, volledig begroeid, als een soort magische poort boven een rivier uittorenen.

In deze twee dagen heb ik ook even gewerkt aan m’n vogelspot game. Ik heb een boekje gekocht en ben druk aan het oefenen met het herkennen. Een paar highlights: Kea (een kleurige bergpapagaai), Kākā (een bijna net zo kleurige bospapagaai) en Weka (een niet-vliegende vogel die motoren erg interessant vindt, zoals te zien op de foto). Het lijkt er echter verdacht veel op dat ik met m’n neus in de boter ben gevallen en ook daadwerkelijk een wilde Kiwi heb gezien! Specifiek de Grote grijze kiwi, die inderdaad in deze regio voorkomt en herkenbaar is aan de lange snuit en de gevlekte vacht. Gezien de zeldzaamheid en hun neiging om zich zelden te vertonen zou dat wel een gebeurtenis zijn van astronomisch kleine waarschijnlijk, dus in combinatie met mijn amateurisme hou ik nog even een slag om de warm. Wie krijg ik later nog de kans om mijn observatie te verifiëren.







Geef een reactie