Oei, ik loop een beetje achter. Hier is alvast het eerste deel van het verhaal waar ik aan werk. Vanaf Karamea zou ik weer terugrijden naar de State Highway (= één baan in beide richtingen) die mij uiteindelijk naar Nelson in het oosten zou brengen. Omdat er ’s ochtends nog zo’n 45 kilometer onverhard op de planning stond, waar ik op Larry toch al gauw 2,5 uur over doe, had ik een tussenstop gepland in de Buller Gorge. De weg volgt deze kloof vrijwel volledig in de route van west naar oost en er bevindt zich qua menselijke bewoning eigenlijk helemaal niks tussen die twee uiteindes. Logisch ook, want nu ik weer verder kwam van zee schoot de temperatuur terug omlaag. Ik was dus aardig verbaasd dat er überhaupt een backpackers plekje was onderweg, maar daarmee tegelijkertijd ook niet verrassend dat het bij aankomst totaal verlaten was. De locatie was prachtig, maar het pand en het bijhorende kampeerterrein zagen er angstvallig leeg uit. Eerlijk gezegd dacht ik dat ik verkeerd zat, maar de deurcode die ik van tevoren had gekregen (de eigenaar was er ook niet) werkte, dus hier zouden we het mee gaan doen.

Bij binnenkomst trof ik een ruim opgezet huis aan, dat wonderlijk genoeg ook direct doorliep in de verlaten bar. Opeens hoorde ik een stem ergens achterin. Ik schrok enigszins, maar het bleek een vrolijke Argentijnse jongen te zijn die wilde weten of ik de eigenaar was. Hij was ongeveer even verbaasd als ik over het feit dat we praktisch in iemands huis stonden, overigens zonder nog een cent te hebben betaald. We vermaakten ons verder prima samen door de contrasten van het Argentijnse leven en het Nederlandse leven naast elkaar te leggen. Beide leken we erg enthousiast over de ander z’n dagelijks bezigheden, maar misschien is dat simpelweg een gevalletje van gras aan de andere kant?
Later voegde een jonge vrouw uit de UK zich bij ons. Zij woont al een paar jaar in NZ en was verder totaal niet verbaasd over de gang van zaken, en misschien had ik dat ondertussen eigenlijk ook wel helemaal niet moeten zijn. Nadat we al drie keer het hele pand hadden kunnen leegroven, kwam de eigenaar zich halverwege de avond zowaar ook nog melden. Het bleek een erg sympathieke man te zien, op een bijzondere manier vond ik. Op het terrein woonde een aantal andere mensen in busjes die hij als het ware een beetje onder zijn hoede leek te nemen. Wij drie, de eigenaar en een andere kerel raakten aan de praat en de bar werd voor ons opengesteld. Ik vertelde over m’n plannen om weer te kamperen en direct werd een oude vriend met een camping gebeld om te vertellen dat ik er aan zou komen. De camping was eigenlijk dicht, maar voor mij zou d’r wel even ruimte gemaakt kunnen worden. Ik blijf me verbazen over die informele manier van zaken regelen in NZ. Als ik contact zou zoeken met iemand die ik lang niet meer heb gesproken zou ik eerst een halfuur zitten nadenken over de intonatie van mijn WhatsApp berichtje. Misschien voor een deel ook de leeftijd, maar ik zou toch durven te stellen dat men het in Nederland in het algemeen als vreemd zou opvatten om dan zomaar te bellen om iets van diegene te vragen. Hoe dan ook vind ik het interessant om te zien dat het ook anders kan. En ik ben d’r nu ook wel blij mee dat het zo werkt hier, want het lijkt steeds in m’n voordeel uit te pakken. Overigens heb ik wel een zwaar belabberde nacht gehad aangezien de huiskat kennelijk ook in de bedden slaapt. Maargoed, je kan niet alles hebben.

De volgende dag zette ik koers richting Nelson. Onderweg zou ik een aardig stukje omrijden om te gaan kijken bij een verdwenen goudmijnstadje waar ik over gelezen had. Een waar hoogtepunt van mijn reis, bij aankomst bleek het te bestaan uit een grasveld met een bordje. Tja, ik weet ook niet precies was ik verwachtte, het was tenslotte een verdwenen stad. Gelukkig was de rit fantastisch: de weg slingerde tussen de rotsen terwijl de rivier onder me door bulderde. Niet dat ik daar overigens wat van kon zien, want de mist bleef aardig lang hangen in de kloof. In de middag klaarde het op en kon ik vlot door naar Nelson. Hier zou ik langsgaan bij iemand die mijn ouders tijdens hun reis 30 jaar geleden hebben ontmoet, en sindsdien overigens nooit meer hebben gezien. Ze heette me echter direct welkom om bij haar in huis te komen overnachten. Weer zo’n bijzonder voorbeeld. Ik zat echter aardig in de flow van het rijden en voor ik het wist was ik veel eerder dan gepland in de buurt van de stad aangekomen. Het leek me onbeleefd om te vroeg te komen, dus ik heb nog een paar uurtjes doorgebracht in een cafeetje in het centrum van een dorpje in de buurt. Het was goed weer en zoals het een echt Nieuw-Zeelands café beaamt had ik vanaf het terras dus een prachtig uitzicht over het parkeerterrein.

Op het afgesproken tijdsstip stond ik voor de deur in Nelson en werd ik ongelofelijk vriendelijk onthaald. Wat een lieve vrouw, die overigens zelf ook veel gereisd heeft en daarmee vol wijsheden en verhalen zat. Haar huishoudster woont bij haar in en kwam ons later op de avond ook vergezellen, allebei hele warme mensen met een sterke spirituele kant. Ik heb erg genoten van het praten met ze. Met bovenzinnelijke zegeningen werd er ’s ochtends afscheid van me genomen en kon ik dus onder bescherming mijn weg weer vervolgen. Mijn doel was Tākaka, of eigenlijk een camping in het nabijgelegen National Park. Ik wilde het dorpje echter eerst bezoeken voordat ik de natuur in zou gaan. Mij was die avond daarvoor namelijk verteld dat de hippie spirit daadwerkelijk nog leeft in Tākaka, en dat wil ik natuurlijk niet aan me laten voorbijgaan. Later meer!






Geef een reactie