Bij aankomst werd ik opgevangen door vrienden van mijn ouders die op een prachtig plekje wonen vlakbij zee. Overigens niet in Sydney zelf maar in een stadje genaamd Bulli, een ruim uur onder Sydney. Ondanks dat ze letterlijk aan de andere kant van de wereld wonen ken ik ze al mijn hele leven. Elke zoveel jaar zien we elkaar en ik werd direct verwelkomd binnen de familie alsof ik er bij hoorde. Ik wist dus dat ik goed zat hier voor een stressvrij weekje.
Na het uitwisselen van verhalen speculeerde ik de volgende ochtend hardop over het maken van een wandeling door de nabijgelegen bossen en ik werd meteen gewaarschuwd voor de bloedzuigers en slangen. Waar het in Nieuw-Zeeland nog vooral om de vogels ging, heeft Australië evolutionair gezien een ander lot geleden. Normaal gesproken zou ik een paar slangen nog wel aandurven, maar nu was ik er echt veel te moe voor na de afgelopen twee fantastische maar hoog-energetische maanden. Anders dan ik meestal zou doen heb ik de wandeltochten de rug toegekeerd en ben ik de andere kant op gelopen, richting het strand.

Het wonderlijke is dat ik gevoelsmatig altijd ergens iets tegen het strand heb. Begrijp me niet verkeerd in dat ik het strand een prachtige plek vind, zeker op de momenten dat je daar een rustige avondwandeling kan maken in het voorjaar. Als ik echter denk aan een zomerse dag op het strand komt bij mij een associatie met een soort geforceerdheid naar boven. In Nederland gaat iedereen op die zes dagen dat het mooi weer is massaal naar het strand en is het eerder een soort Efteling dan natuur. Hetzelfde geldt voor strandvakanties: met z’n allen naar de Costa vliegen voelt, voor mij, als te makkelijk. Natuurlijk niet dat daar wat mis mee is. Sterker nog, het feit dat ik door NZ reed in hartje winter geeft misschien ook aan dat ik gewoon graag moeilijk doe soms.
Met deze achtergrondinformatie had ik verwacht dat het me allemaal niet zo veel zou doen, maar dat bleek anders te liggen. Lamgeslagen door moeheid heb een groot deel van de tijd half slapend in het zand doorgebracht. Dat gaf me genoeg tijd om de mensen te observeren en tot de conclusie te komen dat het strand hier veel meer onderdeel is van de natuurlijke flow van de dag. Ik zag mensen er elkaar ’s ochtends treffen en ’s avonds weer afscheid nemen. De uren versmolten tot dagen en ik aanschouwde hoe men hier het zand gebruikt als sportgebied voor hardlopen of wedstrijdjes. Wat me echter het meeste fascineerde was het surfen. Veel mensen, zoals de vader van het gezin waar ik in huis was, gaan elke ochtend even een tijdje de golven op voordat de dag begint. Het deed me een beetje denken aan bergklimmen omdat het echt wat van je vraagt wat betreft durf, inzicht en focus. Mocht ik de kans krijgen in Queensland denk ik dat ik zeker even wat surflesjes ga pakken, hoewel dat waarschijnlijk lastig gaat worden met het gebrek aan golven wegens het Great Barrier Reef. Hoe dan ook waren deze paar dagen relaxen aan het strand denk ik goed voor me. En misschien zit hier ergens ook nog wel een lesje in over dat het niet altijd moeilijk hoeft en dat je ook gewoon kan genieten als er geen spreekwoordelijke of letterlijke bergen beklommen dienen te worden.

Dan Sydney zelf. Tijdens mijn week in Bulli heb ik namelijk ook de trein gepakt om twee nachten in de stad door te brengen. Mijn eerste indruk kan het best beschreven worden als London maar dan lelijker. Meer auto’s en meer vierkante gebouwen, zoals ik op basis van de steden in NZ ook niet anders had verwacht, maar als oudste Europese nederzetting in Australië was het ook verassend historisch. Het grote verschil is echter de energie die er hangt. Ik was ongetwijfeld beïnvloed door de relaxte vibe aan het strand van de afgelopen dagen, maar ik vond het echt anders dan ik gewend ben in (Europese) steden. Misschien gewoon de typische laid back attitude van de Australiërs. Of de indruk van stedelijke ruimtelijkheid door de weidsheid van het water, de stad is immers gebouwd op de oevers van een rivier, een inham en de zeestranden. En het helpt natuurlijk dat het zelfs in de winter nog zo lekker warm is, hoewel de Australiërs zelf het op basis van hun kledij zichtbaar koud hadden. Wat het uiteindelijk precies was weet ik niet, maar het beviel me best.

Meer dan twintig jaar geleden ben ik hier eerder geweest. Als destijds vierjarige kan ik me daar niet veel meer van herinneren, maar het bijzondere was dat ik hier en daar nu wel weer vage flarden terug leek te krijgen. Ik sluit niet uit dat ik me dit heb ingebeeld, maar desondanks fascineerde het me sterk. Wat is dan hetgeen dat het doet terugkomen? Ik neem aan bepaalde zintuigelijke stimuli als sommige gebouwen, geuren of geluiden. Maar kan dat echt sterk en specifiek genoeg zijn? Of was het misschien die specifieke energie waar ik het over had?

Ik heb me hier een tijdje over zitten verwonderen terwijl ik met een pint onder de Harbour Bridge zat. Op zijn beurt deed dat me dan weer denken aan mijn tijd in Newcastle vorig jaar. Niet gek, want de beroemde brug daar, de Tyne Bridge, is ook daadwerkelijk dezelfde brug als deze hier in Sydney. Wel is deze een formaatje groter, wat ook wel meer past bij de stad. De parallellen gaan verder, want het had weinig gescheeld of ik was een jaar of vier geleden voor een semester naar Sydney gegaan voor studie. Officieel was alles al rond en ik had zelfs succesvol fondsen aangeschreven. Februari 2020 zou ik vertrekken, dus ik hoef denk ik niet uit te leggen waarom dat feest niet doorging…
Viereneenhalf jaar later en slechts voor een paar dagen in plaats van een halfjaar, maar ik ben er nu tenminste wel. Anders dan destijds ben ik nu enigszins ouder/boomer geworden en dus heb ik het gros van de dagen gebruikt voor de verschillende musea. Net als in Nieuw-Zeeland leek het me goed en interessant om meer te leren over de geschiedenis van de inheemse bevolking. Op straat lijkt de Aboriginal cultuur minder zichtbaar dan de Maori cultuur is in Nieuw-Zeeland, maar gelukkig schonken de musea hier meer aandacht aan. Wat er in bijzonder voor me uitsprong was het verhaal en de kunst van Coomaditchie. Kort samengevat is dit een plek waar ontheemde Aboriginals samen met activistische groepen en vakbonden in opstand zijn gekomen om faciliteiten voor de gemeenschap te eisen. Met succes! In de gemeenschap is nu veel aandacht voor kunst, welke vaak beïnvloed is door de lokale ecologie. Fenomenaal mooi om te zien en inspirerend om over te leren.

Wel moet ik toegeven dat ik er niet altijd veel mee kan wanneer ik lees over de culturele mythologie en geloof. Vaak zijn dit orale verhalen die over de generaties mee zijn genomen en dus vol zitten met ontzettend veel namen, verwijzingen en fantasievolle gebeurtenissen. Hierover lezen voelt voor mij een beetje zoals het is om de Bijbel te lezen en ik kom er niet direct ver mee. Deze verhalen spelen echter wel een grote rol in de cultuur en ik wilde er dus wel graag meer over leren. Het leek me beter om dat in persoon te doen, want toen ik in NZ tijdens Matariki, het Māori Nieuwjaar, een toneelstuk aanschouwde op een middelbare school kwam dat al aanzienlijk meer over dan een stuk tekst. Het geluk was dat ik me in Sydney bevond tijdens NAIDOC Week, een soort First Nations festival. Zodoende kon ik de volgende morgen aansluiting bij een lezing die gewijd was aan de rol van verhalen in de connectie tussen mens en land. Als je er zo over nadenkt is het natuurlijk helemaal geen gekke notie dat als je het landschap ziet als bestaande uit spirituele entiteiten je er misschien ook wat beter voor zorgt.

Ondertussen was het een stralende dag geworden en ik wilde wel even één van de eilanden in de haven bezoeken. Een sereen tochtje met de ferry later stond ik op Cockatoo Island, een klein eiland dat in de 19de eeuw als gevangenis diende voor boefjes die na hun uitzetting naar Australië nog een keer de mist in gingen. Als het ware dus de Alcatraz van Sydney. Vervolgens heeft het jarenlang als de grootste scheepswerf van Australië gediend. Het eiland heeft zodoende in twee eeuwen een imposante (architectonische) historie op kunnen bouwen. Combineer dat met een sloot aan verlaten gebouwen en je hebt een blije Yaran. Ik heb me d’r uren vermaakt en het meisje in het café bleek ook Nederlands te zijn, dus met 50% Nederlanderkorting heb ik nog goedkoop kunnen lunchen ook. Aan het eind van de middag ben ik weer vertrokken naar Bulli om nog eenmaal samen te eten met de vrienden van mijn ouders waar ik verbleef. Of eigenlijk durf ik wel te stellen dat ik aankwam bij vrienden van mijn ouders, maar vertrok bij vrienden van mijzelf. Zoals bijzonder genoeg ook niet voor het eerst deze reis.

De volgende ochtend stond een vlucht naar Queensland op de planning, waar ik mijn ouders en zusje zou treffen om nog een maand met z’n vieren op pad te gaan. Eerst moet ik echter even miepen over de uitvoering van binnenlandse vluchten. Dat was mij voor het eerst en ik ben geen fan van het concept: het was loeidruk en ik stond een ruime 20 minuten totaal bezweet in mijn motorpak in de rij bij de bagage incheck om er achter te komen dat die pas kort voor vertrek opengaat. Jammer hoor, kom straks maar terug. Ondertussen was ik al m’n zooi met de hand mee aan het slepen, want een karretje kost hier geld en dat gaan we natuurlijk niet doen. Zodoende stond ik anderhalf uur voor vertrek weer in de rij, maar deze keer was de wachttijd opgelopen naar driekwartier. Ze hanteerden namelijk het wonderlijke systeem dat iedereen die laat was voor z’n vlucht voor mocht gaan bij de balies. Dat klinkt misschien logisch, maar de facto word je dus bestraft als je optijd komt. Zeker ook omdat iedereen dit kennelijk doorheeft, dus men komt pas op het allerlaatst aankakken. Het hele systeem is dus gewoon stuk en daarmee vrij frustrerend.
Ondanks alles heb ik mijn vlucht (net) gehaald en ondertussen zijn we al bijna een week met z’n vieren door het noordoosten van Australië aan het rijden. Wanneer ik daar over ga schrijven weet ik nog niet, maar er komt vroeg of laat een update!






Geef een reactie