Zo. De eerste 10 dagen en 3000 kilometer zitten er op. Tijdens deze eerste fase is mijn vader meegereden tot een specifieke camping in Montenegro, daarover later meer. Toen ik mijn ouders ongeveer een jaar geleden vertelde over het idee om van Nederland naar Nepal te rijden, bood mijn vader vrijwel direct aan om een stuk mee te gaan. Dat bleek een top idee te zijn.

Wel ben ik vanaf de eerste seconde geconfronteerd met mijn eigen keuzes. De meeste, zo niet alle, motorrijders die een dergelijke reis ondernemen doen dat gekleed in een synthetisch doorwaai pak op een comfortabele, zware reismotor. Zoals de titel doet vermoeden pak ik het echter anders aan. De motor van keuze, een Honda CBF500 uit 2006, is een simpele straatmotor met een klassiek uiterlijk, inclusief de geliefde ronde koplamp. Precies mijn stijl. Maar dat betekent wél: geen grote windschermen, geen handkappen, geen luxe. Lange snelwegritten zijn dus een gevecht tegen de wind. Toch: als je geen liefde voelt voor je motor als je ernaar kijkt, doe je iets verkeerd. Voor mij is die liefde belangrijker dan comfort of offroad-capaciteiten. Al moet ik straks wel offroad, vooral vanaf Rusland. Wordt nog interessant.
De betrouwbaarheid van deze motoren is gelukkig legendarisch. Bovendien hebben mijn vader en ik in afgelopen maanden heel wat weekenden gesleuteld en vanalles aangepast. Eigenlijk is er dus geen reden waarom hij me niet tot Nepal zou brengen.

Een groter probleem was de hitte. Ik voel me comfortabeler in motorjeans en een simpel jasje dan in een doorwaai pak van 1000 Euro. Bovendien heb ik er ook nog een airbag overheen aan voor de veiligheid. Ook allemaal in het zwart natuurlijk, met als resultaat dat het niet uit te houden is wanneer je uren achtereen zonder schaduw in 35+ graden over de Autobahn rolt. Dat belooft veel goeds voor de woestijnen van Kazachstan, maar één uitdaging tegelijk.
Het dieptepunt van de eerste dagen kwam toen we uit het niets al onze remkracht moesten aanspreken om niet op het plotseling stilstaand verkeer te botsen. Wat geschrokken reden we tussen de auto’s door naar voren en kwamen we op de scene van een gruwelijk ongeluk dat daar zojuist was gebeurd. De ambulances waren al onderweg werd ons verteld, voor ons was daar dus weinig om toe te voegen behalve af te wachten op het brandende asfalt. Dat was geen feestje, maar uiteindelijk is het natuurlijk vooral verschrikkelijk voor de inzittenden van de auto. Wij konden na een paar uur weer opstappen en verder rijden, hoewel het nog een heel tijdje heeft geduurd voordat het uit onze hoofden was verdwenen.

Na Duitsland begon het echt mooie rijden. Oostenrijk en Slovenië betekenden nog aansluiten achter eindeloze rijen campers, maar daarna werd het rustiger. Meestal reden we zo’n 250 kilometer per dag door natuurgebieden, om rond etenstijd op zoek te gaan naar een leuke camping. We vonden prachtige plekken. Soms diep in het bos, soms pal naast een waterval. Maar het mooiste zat, zoals altijd, in de mensen. In de Balkan lijkt het standaardprocedure om bij aankomst direct een glas zelfgestookte drank in je handen gedrukt te krijgen. Maakt het opzetten van de tent nog nét even leuker heb ik gemerkt. Vaak konden we voor een klein bedrag ook aanschuiven voor diner. Ondanks dat we beiden een volledige voorraad aan kookgereedschap in onze tassen hadden zitten konden we de verleiding de meeste avonden niet weerstaand.

Vanaf Bosnië begon de gezamenlijke trip te veranderen van vakantie naar een reis. Waar landen als Slovenië en Kroatië vrij strak georganiseerd en op toeristen gericht zijn, wordt het daarna al gauw rommelig in alle goede manieren. Het begon eigenlijk al bij de grens, die van Bosnië was old skool inclusief lange rijen, lichte chaos en chagrijnige douaniers. Montenegro deed er een schepje bovenop: de grens was een éénbaansweggetje door een kloof met een gammel houten bruggetje dat de ene kant van de rivier met de andere verbond. Foto’s durfde ik niet te maken want de douaniers keken hier ook niet bepaald vrolijk uit hun ogen. Maar na het wachten reden we een prachtig landschap in: een route uitgehakt in de rotswand, bochten langs meren, met hoge pieken om ons heen. Het deed me denken aan de fjorden van Noorwegen. Ik ben daar alleen nooit geweest, dus pin me niet vast op die vergelijking.

Op de grens tussen Kroatië en Bosnië vonden we iets uitzonderlijks: een verlaten luchtmachtbasis waar je vrolijk met je motor rond kon rijden! Dus wat doet een verstandig mens dan? Een dragrace over de oude landingsbaan natuurlijk! En het werd beter, we konden namelijk gewoon ongegeneerd de voormalige basis in rijden, welke in de bergen is geboud ter bescherming tegen kernbommen.
Het was tamelijk bizar en een beetje eng om daar rond te rijden, gegeven het feit dat dit oneindige ondergrondse labyrint natuurlijk pikdonker was. De grond was bedekt met een soort grijze natte slib, dus het was een hele uitdaging om de motor overeind te houden. Tegelijkertijd zat het er vol met een soort loopgraven die, neem ik aan, werden gebruikt om aan de onderkant van de vliegtuigen te werken. De koplamp bood maar weinig soelaas om te zien waar je heen ging; de hele basis hing vol met een dikke nevel waar je maar amper doorheen kon kijken. Overigens bleek later dat dit een radioactieve asbestnevel betreft, maar dat is vast geen enkel probleem. Voor bewegende beelden refereer ik je graag naar het Instagram account waar ik video’s ga delen de komende maanden.

Het rijden veranderde ook vanaf Bosnië. Allereerst in rijstijl, men is hier wat pragmatischer ingesteld en zet de auto over het algemeen simpelweg stil daar waar de gestelde bestemming zich bevindt. Of dat een parkeerplaats betreft is grotendeels irrelevant. Op een 100-weg je auto in een blinde bocht stilzetten? Geen probleem, daar vind je immers de beste paddenstoelen. Verder is het wegdek over het algemeen piekfijn in orde, maar er is nooit enige garantie dat zo blijft. Van het strakke asfalt kan je zomaar ineens zonder waarschuwing een grindbak in rijden. Tezamen is de les om zeer waakzaam te blijven rijden en vooral de snelheid te beperken, wat soms verdomd lastig is op zulke prachtwegen. Des te beter dat ik nu in deze gewoontes kan komen, immers staan er nog veel slechtere wegen en twijfelachtige bestuurders mij op te wachten.
Ook opvallend was de staat van de huizen. In Bosnië is geen dak te bekennen en wat er nog staat is veelvuldig doorzeefd met kogelgaten. Ik had wel een vaag beeld van de oorlogen na de val van Joegoslavië, maar helemaal begrijpen deed ik het niet. Voor mijn vader gold hetzelfde en zodoende besloten we een dag toe te wijden aan het bezoeken van Sarajevo. Konden we ook meteen een wasje laten doen. In Sarajevo ga je daarvoor naar “Tito’s Ijzeren Vuist”, een socialistische wasserette (?) gewijd aan het vereren van de voormalig Joegoslavische dictator. Erg interessante kerel die daar de boel runde,. Hij wist waar ie het over had en had ook echt wel wat te zeggen.

Dit soort fundamenteel politiek denkwerk maakt hongerig en zodoende kwamen we uit bij het restaurant van een oud vrouwtje verderop. Directe communicatie zat er wegens de taalbarriere niet in, maar wonderwel bleek het de oma te zijn van de kameraad uit de wasserette. Zodoende werd ons duidelijk gemaakt dat we konden aanschuiven voor de lunch. Geen menu maar gewoon wat er op dat moment in de pan zit, wat in dit geval zeer smakelijke gevulde paprika’s waren.
Terwijl de socialistische machine met onze kleren bezig was hebben wij het History Museum of Bosnia and Hezegovina bezocht. Ik moet zeggen, het was weinig informatief. Het gebouw stond ogenschijnlijk op instorten en zat zelf ook vol met kogelgaten. Dat gezegd maakten de foto’s omtrent het beleg van Sarajevo en de situatie in Srbrenica grote indruk. Wat zijn daar gruwelijke dingen gebeurd zeg. Terwijl wij de beelden lieten inwerken werd het museum wonderlijk genoeg tegelijkertijd ingericht voor een feest die avond en dreunde de duistere techno deuntjes alvast door de gangen. Al met als dus een wat surreële situatie.

Overigens vond ik Sarajevo in de bredere zin wel een zeer interessante stad met een opvallende mix van typisch Oost-Europese cultuur en architectuur en Islamitische bazaren. Ik beschouw het een eerste stap richting de nieuwe culturen die ik ga ervaren. Wat dat betreft heb ik er ook bewust voor gekozen om vanuit de achterdeur de wereld in te rijden in plaats van ergens heen te vliegen en dan rond of terug te rijden. Het lijkt me bijzonder om te zien hoe de culturen, de landschappen en de mensen langzaam veranderen terwijl de wereld zich onder je wielen steeds verder ontvouwt.

Onze laatste stop was de camping in Montenegro waar ik mijn verhaal mee begon. Hier runt Dragan, een gezellige oude dronkenlap, een prachtige wijngaard waar je met je tentje tussen kan staan. Zijn vrouw kookte een tafel vol gerechten zowel voor diner als ontbijt. Weigeren zat er niet in want we waren immers mannen die de hele dag op de motor zaten. De reden dat we echter precies hier waren is dat mijn vader hier ook heeft overnacht twee jaar geleden op zijn motortrip. Voor hem was het één van de hoogtepunten van die reis. Het leek ons daarom een passende plek om afscheid te nemen.

Zodoende brak de laatste ochtend aan. Ik moet zeggen, het viel niet mee om afscheid te nemen na zulke mooie dagen samen, al wetend dat je elkaar de komende zes maanden niet gaat zien. Toen mijn vader wegreed richting het noorden daalde het besef ook pas echt in dat ik, in m’n uppie, aan de vooravond sta van een reis van bijna ongrijpbare proporties.
Het opstappen die ochtend is zelden zo moeilijk geweest. Om dit moment mee te nemen naar de rest van de reis heb ik besloten mijn motor Dragan te noemen, naar de eigenaar van de camping die onze laatste gezamenlijke bestemming vormde.






Geef een reactie