De oneindige rij van vrachtwagens signaleerde zo’n 10 km voor de grens al dat ik in de buurt kwam. Die stakkers moeten hier zeker dagen achtereen staan wachten, lijkt me. Ik kon op m’n gemakje naar voren door zowel de vrachtwagens als de auto’s en dat verliep soepel, tot ik bij een hokje werd tegengehouden. Na veel gestuntel met Google Translate bleek dat ik in Turkije een boete had gereden. Die moest ik blijkbaar nog ergens betalen, wat een heel gedoe bleek te zijn. Na een uur rondgestuurd te zijn, hoorde ik bij loket nummer drie eindelijk de schade: 60 cent voor het rijden op een tolweg.

Bij het boeteloket zag ik een man met een Russisch paspoort en ik dacht dat hij het misschien wel leuk zou vinden dat ik z’n land aan zou doen, dus ik maakte even een praatje. Hij reageerde enthousiast en vroeg waar ik vandaan kwam.
“Holland” zei ik.
Z’n blik veranderde naar ernstig en hij keek me strak aan.
“Good luck”.
Lekker is dat.
Aan de Georgische zijde raakte ik aan de praat met een jongedame van de douane. Kennelijk lig ik wel redelijk goed in de markt bij vrouwelijke douaneagenten want ook hier ben ik nog een heel tijdje blijven hangen. Aan het eind viel haar oog op mijn Russische visum en dat kon duidelijk niet op haar goedkeuring rekenen. Ze vond het maar een slecht idee en drukte me op het hart wat anders te proberen. Gaat allemaal wel lekker zo. Nou zag ik later op d’r Instagram dat ze uit een deel van Georgië komt dat sinds 2008 door Rusland wordt bezet, dus ik kan me wat voorstellen bij het sentiment.
Mijn stop voor de eerste nacht in Georgië was Batoemi, een stad waar ik tot de dag daarvoor nog nooit van had gehoord. Tot mijn verbazing bleek het een zeer prettige en semi-moderne kuststad met een pittoresk oud centrum. Voor een stedentrip kan ik het zeer aanraden. Wil je naar de zee en zoek je een keer wat anders, maar heb je geen zin om met een hurktoilet aan de slag te gaan? Dan is dit de plek voor jou.

D’r waren wel wat toeristen, vooral Georgiërs en Russen die wel zin hadden in een feestje. In een barretje sprak ik prompt een Engelse jongen die jaren geleden naar Utrecht is verhuisd omdat ie het zo’n prettige stad vond. Geef hem eens ongelijk. Als ik terug ben gaan we naar de kroeg.
Vanaf Batoemi zou ik verspreid over meerdere dagen naar Tbilisi rijden. Onderweg openbaarde de verschillen tussen Georgië en Turkije zichzelf. Waar Turkije soms lastig was om aan te zien met het vele verval, de oneindige bergen afval en alle dode dieren, voelde het binnenrijden van Georgië alsof je weer terug in de EU komt. Hoewel ik juist naar het Oosten rijd om omgevingen te ervaren die anders zijn dan wat ik ken, was dit ook wel even fijn. Men spreekt ook weer een paar woordjes Engels, iets dat je in Turkije echt niet hoeft te verwachten. Het is me daar zelfs wel eens gebeurd dat een vader boos werd op z’n zoontje omdat die een beetje Engels met mij probeerde te spreken.

Aanvankelijk bleek ook het asfalt van moderne kwaliteit en vloog ik over de bergpas. Heerlijk. Wel vond ik het opvallend rustig, maar dat is niet echt iets om over te klagen toch?
Ik had te vroeg gejuicht. De reden dat het zo rustig was, was omdat de weg nog helemaal niet af was. Daar kwam ik na 200 km achter toen ik plots een grindbak in reed. De werkmannen maakten duidelijk dat ik twee keuzes had: of het hele end terug en een mega omweg van twee dagen maken, of de komende 15 km over een offroad zijweggetje. Keuze snel gemaakt natuurlijk, het ging immers zo soepel op de berg naar het klooster in Turkije.
Gelukkig was het deze keer niet zo erg, maar ik deed er uiteindelijk toch ruim twee uur over. Dat kwam ook doordat ik meerdere keren een rivier moest oversteken. En ik neem dan liever het zekere voor het onzekere: eerst lopend de oversteek verkennen, en dan pas met de motor erdoor. Ook bij terugkomst op de ‘weg’ werd het leven er niet per se gemakkelijker op: de hele bergpas bestond uit een zandbak waar op termijn asfalt komt te liggen. Mocht je motorrijder zijn en ooit naar Georgië willen gaan zou ik dat zeker doen, over een jaar of twee.

Op de top aangekomen brak er onweer uit en dat was mijn signaal om te stoppen met het proberen en de eerste de beste schuilplek op te zoeken om de boel lekker even de boel te laten. Zodoende heb ik daar een uurtje of twee doorgebracht tot het droog was.

De weg naar beneden was hoofdzakelijk geasfalteerd, maar kennelijk was dit de eerste keer in een tijdje dat het regende en de hele weg was in één grote olievlek veranderd. Voor het geval dat niet evident is, is dat een flink probleem wanneer je je op twee wielen verplaatst. Op zo’n moment vraag ik me af waarom ik niet lekker naar het Zwarte Woud ben gegaan, maar ondertussen heb ik stiekem ook een brede lach in mijn helm. Het lukt namelijk altijd wel weer om, met een nieuw verhaal, beneden te komen.

Ik vond het toen wel mooi geweest en ik heb in het eerstvolgende stadje een overnachting geboekt. Het bleek een verrassend mooi plekje aan de top van een middeleeuws fort, waar opvallend genoeg zowel een moskee als een orthodoxe kerk binnen dezelfde muren staan. In de avond raakte ik aan de praat met pro-EU demonstranten die daar sinds oktober elke dag (!) op het centrale plein staan. Stoer hoor. Ik moet toegeven dat ik maar een zeer beperkt beeld had van de situatie in Georgië, maar het komt er op neer dat de bevolking in overmatige meerderheid graag meer toenadering tot Europa wilt. De huidige regering, grotendeels bestuurd door één extreem rijke miljardair, ziet dat echter niet zo zitten. Zal ook weer eens niet.

De volgende dag was spectaculair. In het binnenland van Zuid-Georgië rijd je door een ruig rotsgebergte. Bijna elke bergrug wordt gesierd door een oosters-orthodoxe kerk of de ruïne van een oud kasteel, een waanzinnig gezicht. Georgië bevalt me wel. Ik was onderweg naar Vardzia, een duizend jaar oud gigantisch complex van ondergrondse kloosters en grotwoningen waar de Georgiërs konden vluchten voor de destijds rondplunderende Mongolen. In het laatste uurtje voordat ik er was begonnen er zwarte wolken te vormen in de lucht en in een vooruitziende blik had ik Dragan bij aankomst bewust onder een boom geparkeerd. Dat was maar goed ook, want nog geen 5 minuten later begon de zwaarste hagelstorm die ik ooit in mijn leven heb meegemaakt. Ik heb nog nooit zoiets gezien, de deuken zaten nadien letterlijk in de auto’s.

Na een minuut of 10 was het ook weer voorbij en kon ik de grotten in. Erg bijzonder, en misschien nog wel het opvallendste was dat het klooster tegenwoordig opnieuw in gebruik is door monniken. Goeie zaak vind ik dat, daar is het tenslotte ooit voor gebouwd in plaats van alleen als toeristische attractie.

Het laatste deel van de route naar Tbilisi voerde me over een hoogtevlakte op 2100 meter. Hier was niks of niemand te bekennen. Volgende afslag over 200 km? Mooi. Voor het eerst deze reis kon ik hier al rijdend écht even tot rust komen.






Geef een reactie